H.Laurentius

Ontstaan van de parochie
De kerk door de eeuwen heen
Beschrijving van de Sint-Laurentiuskerk, vroeger en nu
Sint-Laurentius
De kerktoren
De doopvont
De lambrizering
De schilderijen
Het orgel
Chronologische lijst van pastoors
Bibliografie
Obiit's

De geschiedenis van de Sint-Laurentiusparochie in Hove moet rond 1200 begonnen zijn nadat ze zich afscheidde van de moederparochie Kontich. De eerste vermelding van een Hovese pastoor wordt gemaakt in een geschrift van 5 januari 1251, wanneer die als getuige optreedt bij een overeenkomst tussen de abdij van Sint-Bernardus en de pastoor van Hemiksem. Verder weten we alleen dat zijn naam begon met G., omdat hij net als de andere pastoors-getuigen werd aangeduid met de eerste letter van zijn naam. Het blijft trouwens ook nog altijd een vraag wie de oorspronkelijke patroonheilige van de kerk was. In teksten uit het oude Elisabethhospitaal van 1233 tot 1346 spreekt men over een kerk of parochie van Hove, maar pas op 6 februari 1346 spreekt men over "van der kerken ons heeren Sente Laureins van Hove". "Hove ad sanctum Laurentium" of "Hove te Sint Laureins" wordt trouwens verscheidene eeuwen de naam van het dorp, wat getuigt van de grote invloed van de kerk.

Zo groot werd die invloed zelfs, dat de zeer invloedrijke familie Volcaert, die toendertijd de belangrijkste tienden hief in Hove, uit angst om in de ban van de Kerk geslagen te worden, het geld van de tienden aan de kerk moest afstaan. Waarschijnlijk eiste ze als vergoeding dat de kerk als patroon Sint-Laurentius zou hebben, want velen uit de familie Volcaert droegen een naam die afgeleid was van Laurentius. Dit alles vond plaats omstreeks 1370, een datum die 1346, wanneer men voor het eerst spreekt over "Hove te Sint-Laureins", zeer dicht benadert. Mogelijk is dit dus de verklaring waarom men in de kerk Sint-Laurentius vereert.

Ondanks het feit dat men toen al Sint-Laurentius als patroon had, vermeldt de deken in een verslag uit 1562 als patronen de heiligen Petrus en Paulus. Dat zal zo blijven tot in 1610; pas in 1611 vermeldt hij als heilige Sint-Laurentius. Waarom de deken deze twee andere heiligen dan als patroon vermeldde, daarover moeten we het antwoord gedeeltelijk schuldig blijven. We weten alleen dat de abdij van Lobbes, die in de streek de grondlegger was van de kerstening, de heilige Petrus als patroon had.

Zij heeft dan naar alle waarschijnlijkheid bij de oprichting van de parochie van Hove haar patroon aan de kerk gegeven, de heilige Petrus, aan wiens naam meestal de heilige Paulus toegevoegd wordt. Dergelijke tijdelijke patroonsveranderingen blijken echter ook in andere parochies voor te komen.

Na veel discussie wordt aanvaard dat de Sint-Laurentiuskerk een laat-gotisch gebouw is, een uitbloeier van de Brabantse laatgotiek, daterend van het einde van de 15de eeuw. Verschillende steensoorten, onsamenhangende technieken en de soms gebrekkige werkuitvoeringen wijzen erop dat de kerk niet in één keer is gebouwd, maar een combinatie is van verschillende bouwplannen, zij heeft in de loop van de tijden dan ook zeer verscheidene uitzichten gehad. We zien duidelijk een aantal dichtgemetselde ramen en deuren in zowel romaanse als gotische stijl, die in vroegere tijden een belangrijke rol speelden, maar later overbodig werden.

Vlaanderen is in haar turbulente geschiedenis steeds weer het toneel geweest van oorlogen en veldslagen, waarbij ook de kerken niet werden gespaard. De belangrijkste beschadigingen en restauraties vonden plaats in:

- 1566 Het toenmalig kerkinterieur werd door de beeldenstormers beschadigd.

- 1583 Alweer was Hove en haar kerk het slachtoffer van de godsdienstoorlog.

- 1583 tot 1648

In deze zeer bewogen periode wisselden oorlog en vrede elkaar af. Hove en buurgemeente Boechout ontvolkten bijna volledig door oorlogsgeweld, maar onder de zeer geliefde aartshertogen Albrecht en Isabella en het twaalfjarig bestand kwam er weer een periode van rust.

Het toenmalige Nederland legde echter zware oorlogsbelastingen op en dat zorgde voor een waar schrikbewind. Pas bij de vrede van Munster (1648) kon men starten met een jarenlange restauratie. De toren werd ondermeer herbouwd wat echter leidde tot veel gespot daar de bekapping nu plat was. Hieruit kwam ook het in de streek zo bekende spotliedje: "Dye van Hoof zen geschoren, 's hebbe 'ne keescop van nen thoren." voort, wat de Hovenaars dan ook jarenlang de bijnaam "keeskoppen" bezorgde.

Voor 1749 moet er evenwel al een spitse bekapping zijn geweest, want een gedenksteen boven de ingang met het opschrift: "Anno MDCCXLIX" getuigt van herstellingswerken aan de spitse toren.

- Franse periode In de Franse periode gaat de toestand van het gehele gebouw weer achteruit, daar alle religieuze gebouwen onder de bezetter verscheidene jaren gesloten dienden te blijven.

- 1827 Op het einde van de Hollandse periode worden toren en kerk eindelijk weer gerestaureerd. Hiervan getuigt de tweede gedenksteen boven de ingangsdeur met het opschrift: "P. J. Daems, Pastor; J. F. Gellynck, Burgemeester, Anno 1827.", ook nu komt er weer een spitse toren.

- 1914 tot 1918 Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt de torenspits door de Belgische genietroepen opgeblazen, opdat de Duitsers er geen waarnemingspost van zouden kunnen maken, want Hove lag in de verdedigingsgordel rond Antwerpen. Samen met de toren wordt ook de enige Hovese molen opgeblazen. Deze werd nooit herbouwd.

- 1923 Eindelijk worden de eerste noodzakelijke herstellingswerken uitgevoerd aan toren en gewelf. Deze zijn slechts zeer voorlopig.

- 1940 tot 1945 Tijdens W.O. II worden de klokken door de Duitsers opgeëist en de kerk wordt beschadigd door V1 en V2 raketten. Deze havenden menig glasraam, maar de vensters bleken over het algemeen nog herstelbaar. Geen van de glasramen werd na de oorlog echter nog terug in de kerk gehangen.

- 1963 Een stuk van het dak komt naar beneden en beschadigt het beeld van de Heilige Antonius. Door de jarenlange verwaarlozing na de oorlog wordt de kerk te gevaarlijk om nog te betreden en wordt zij langdurig gesloten.

De romaanse doopvont

De romaanse Doopvont.


- 1964 Na een jarenlange ruzie tussen voor- en tegenstanders van restauratie of volledige nieuwbouw valt de bisschoppelijke beslissing dat de kerk helemaal zal worden gerestaureerd in haar eigen stijl en men ze zal uitbreiden met twee zijbeuken. Enkele bijgebouwen die pas later zijn toegevoegd en qua steensoort niet in harmonie zijn met de rest van het gebouw zullen meteen worden gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe doopkapel en sacristie. Het werk zal worden aangevat in 1967 en zou twee jaar duren.

- 1967-1969 Tijdens deze restauratie ontdekt men een uitzonderlijke Romaanse doopvont, maar wordt het oorspronkelijke interieur onherstelbaar veranderd.



Het uit witte natuursteen opgetrokken dorpskerkje van Hove heeft in zijn geschiedenis vele gezichten gehad. Men noemt de kerk nu gotisch en situeert haar oorsprong op van het einde van de 15de eeuw, maar vele punten wijzen erop dat het gebouw veel ouder is en oorspronkelijk misschien niet eens als kerk is gebouwd.

Het is duidelijk dat de dwarsbeuk het oudste deel van het gebouw is, daar men er niet alleen gotische, maar ook de veel oudere romaanse elementen terugvindt; een toegemetseld romaans en een toegemetseld gotisch raam in de rechterdwarsbeuk, een toegemetseld gotisch raam in de linkerdwarsbeuk en in zowel de linker-, als de rechterdwarsbeuk een toegemetselde deur.

Uiteindelijk kreeg de plattegrond van de kerk de vorm van een Latijns kruis, zoals gebruikelijk bij de gotische en romaanse kerken, zonder zijbeuken en met een groot schip. In Antwerpen is dit heel zeldzaam, meer nog, men vindt enkel nog in Vlassenbroek en Mespelare kerken als deze in Hove.

Bij de restauratie voegde men echter toch twee zijbeuken toe zodat men een schip verkreeg van 24 meter lang en 21 meter breed, met ruimte voor 583 stoelen.

Als men via de neogotisch omlijste toegangsdeur de torenhal binnenkomt, valt meteen het grootse barokorgel op, dat als één van de eerste orgels in Vlaanderen verplaatst werd naar voor in de kerk, op de plaats van het grote hoofdaltaar. Links en rechts van de ingang staan het beeld van Sint-Laurentius van de vroegere preekstoel uit 1788 en het processiebeeld van O.-L.-Vrouw met kind dat dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. Men heeft voor dit beeld verschillende mantels en onderkleden waarmee men het overeenkomstig met de tijd van het jaar kleedt. De oudste mantel dateert uit 1900, de zilveren kroontjes van beeld en kind dateren uit 1880.

Het schip van de kerk nu.


In de vloer zijn een aantal zeer oude grafzerken zichtbaar (Zie kerktoren) en in de zijbeuken ziet men de kruisweg, uitgebeeld in 14 houten medaillons (Zie lambrizering). Als men vlak voor het altaar staat, met daarnaast de zilveren 18de-eeuwse lezenaar, merkt men langs weerszijden een biechtstoel, met bijbehorende wandbetimmering en fries uit de 17de en 18de eeuw (Zie lambrizering).

Het grote Lieve-Vrouwebeeld.


Het hoogkoor wordt geflankeerd door houten wandbetimmering waar vroeger ook nog koorgestoelte was ingewerkt (Zie lambrizering), dat op zijn beurt wordt geflankeerd door aan elke kant twee zilveren processielantarens op staken. Zoals gebruikelijk bij de Brabantse gotiek bevindt zich in de noorder- en zuidermuur van de dwarsbeuk een hoog en breed raam. Rechts van het orgel is de doopkapel met de Romaanse doopvont (Zie doopvont) en links ervan staat de tombe van het vroegere Heilig Hartaltaar met daarnaast de ingang naar de grote sacristie. Verder hangen er in de dwarsbeuk nog een processievaandel uit de 18de eeuw en een aantal schilderijen (Zie schilderijen).


Medaillons van HH.Petrus en Paulus.

Voor de grote restauratie in 1967-'69 was de grote deur die uitkwam in de hal onder het doksaal de enige ingang. Ernaast waren de toenmalige doopkapel en een klein magazijntje. Wanneer men deze achter zich liet kwam men onmiddellijk in het schip met de houten kruisweg langs de muren. Daarboven bevonden zich links de beelden van respectievelijk Heiligen Franciscus van Assisi, Antonius en Appolonia en rechts die van de Heiligen Jozef, Antonius van Padua en Barbara. Op de rechterhoek van het schip stond de preekstoel met het beeld van Sint-Laurentius (het beeld naast de titel van deze verhandeling) en in de kuip medaillons van de HH. Petrus en Paulus, en een Maria met kind.

H. Laurentius
XVIIIde eeuw.


Daartussen stonden de symbolen van de vier evangelisten en op de rand van de kuip was een kruisbeeld aangebracht. De trap van de preekstoel stond in de rechterdwarsbeuk, voor de inmiddels verdwenen biechtstoel met lambrizering uit de 18de eeuw.

Het oude Heilig-Hartaltaar
nu in de sacramentskapel.

Daartegenover stonden het grote Heilig-Hartaltaar (1875, geschonken door de familie Geelhand), waarvan de tombe van gevlamd marmer nog steeds in de kerk staat, met daarnaast het lindehouten beeld van Sint-Laurentius (18de eeuw) en een beeld van Sint-Rochus.

H.Lucia


In 1924 werd er in het grote venster een glasraam gezet met als thema "O.-L.-Vrouw Middelares van alle genaden" door glazenier G. Barry uit Jette. In de linkerdwarsbeuk stond het O.-L.-V.-altaar uit 1862 met daarnaast de beelden van Sint-Lucia, gepolychromeerd, en een Maria met kind.

Het altaar was versierd met 14 beschilderde paneeltjes die de 14 mysteries van de Heilige Rozenkrans uitbeelden. Ze zijn in 1859 geschilderd door monogrammist F.D.B.

Het glasraam stelde het H. Misoffer voor en werd in 1940 vervaardigd door J. Vosch uit Elsene. Boven in de dwarsbeuk hingen en hangen "De Marteldood van Sint-Sebastiaan" en "De Hemelvaart van Maria".

Over bijna de hele breedte van het koor stond de marmeren communiebank uit 1886, geschonken door de familie Geelhand en geflankeerd door twee engelen met een kandelaar in de hand. Links en rechts aan het koorbegin stonden ook nog de zware, rechte stijlen van de triomfboog, die in de 17de eeuw bij herstellingen niet herbouwd werd. Boven de wandbetimmering met koorgestoelte hingen de vier evangelisten van J. B. Huysmans ingewerkt in een grote kader.

Helemaal vooraan in het hoogkoor stond dan het grote, houten hoofdaltaar uit 1875, van de hand van de Borgerhoutse beeldhouwer Lodewijk van Erckel en gepolychromeerd door Wouters uit Borgerhout.


Schriftgeleerden
Jezus tussen de schriftgeleerden

Het retabel, onderverdeeld in vijf nissen, stelde links de aanbidding van de herders voor, met daarboven Jezus bij de schriftgeleerden. Aan de rechterkant de aanbidding der wijzen, en daaronder Jezus die zijn moeder ontmoet terwijl hij zijn kruis naar de Golgothaheuvel draagt. In het midden een calvariegroep. Alle retabels, behalve de calvarie, zijn nog in het bezit van de parochie.

De marmeren tombe van het altaar beeldde de graflegging van Christus uit.


Aanbidding van de Driekoningen
De aanbidding van de wijzen
Aanbidding van de herders
Aanbidding van de herders
Jezus ontmoet Zijn moeder
Jezus ontmoet Zijn moeder

Ook alle ramen in het hoogkoor waren gebrandschilderd. Van links naar rechts stelden zij voor:
-"De drie goddelijke deugden" (1867) en "De Katholieke godsdienst" (1871), vervaardigd bij J. F. Pluys uit Mechelen en geschonken door de familie Van Kerckhove - Rollier;
-"De H. Laurentius, de schatten van de kerk aanwijzend" (1877), vervaardigd bij J. F. Pluys en gedeeltelijk geschonken door subdiaken J. B. De Cleyn (om hier een glasraam te hangen moest men eerst de calvarie buiten een weinig naar voren verplaatsen);
-"De geboorte van Jezus" (1871) vervaardigd bij Stalins uit Antwerpen.
-"De Heiligen Edmondus, Carolus en Leopoldus" (1868) vervaardigd bij J.F. Pluys, beide geschonken door de familie Geelhand - De Labistraete. Hoewel de in de oorlog beschadigde glasramen nog te herstellen waren, heeft men ze nooit terug gehangen.

In 1931-'32 heeft men de hele kerk geschilderd en op verschillende plaatsen sierbanden aangebracht. Op de gewelfkap boven de koorsluiting schilderde men 3 medaillons met het Lam Gods, een Alpha en een Omega , geflankeerd door met wierook zwaaiende engelen.

Het beeld van de
H.Laurentius uit de
oude preekstoel.

In de derde eeuw na Christus werd het christelijk geloof door de Romeinen nog niet erkend. Keizer Valerianus vaardigde een bul uit die inhield dat geestelijken, die geen afstand wilden doen van hun overtuiging, werden onthoofd. Ook Sint-Laurentius, aartsdiaken te Rome en vertrouwensman van paus Sixtus II (maar van Spaanse origine), kon niet ontsnappen aan deze fanatieke heksenjacht. Hij werd opgepakt en volgens de overlevering berecht in de tempel van Antonius en Faustina (141 n.C.), op het Forum Romanum (thans een christelijke kerk).

Bij zijn gevangenneming eiste de rechter dat hij het vermogen van de kerk, dat hij beheerde, zou afstaan. Daarop toonde Laurentius de armen en de zieken voor wie hij zorgde met de woorden: "Zie daar de ware schatten van de kerk".

In het jaar 258 werd hij dan gegeseld en op een rooster gelegd waaronder beulen een vuur stookten met halfgloeiende kolen om de marteling zo pijnlijk mogelijk te maken. Volgens verschillende christelijke bronnen zou hij na een tijd op het rooster gelegen te hebben tegen zijn beulen gezegd hebben:
"Draai mij nu om, deze kant is genoeg gebraden!" en "Eet nu, het is gaar!".

Meestal wordt de Heilige Laurentius afgebeeld met zijn kentekens van diaken en met een rooster als attribuut, zoals te zien is aan het levensgrote houten beeld van de vroegere preekstoel in de kerk.

De verering van Sint-Laurentius kwam tot volle bloei in de 17de eeuw, gesteund door de heer van Hove.

De Relikwie.

In 1651 schonk deze de relikwie van de Heilige Laurentius aan de kerk, waar het zich nog steeds bevindt. De relikwie zelf is zogezegd een stuk bot van de heilige, maar het is zogoed als onmogelijk dat het bot na bijna 2000 jaar nog in zulke goede staat verkeert, waarschijnlijk hebben we hier dan ook te maken met een vervalsing uit de 17de eeuw. Het wordt bewaard in een ovalen zilveren schrijn, voorzien van een handvat dat de priester vasthield, waardoor gelovigen het bij de verering konden kussen.

Elk jaar werd ze, op de zondag na 10 augustus, in de processie meegedragen, evenals de beelden van Laurentius en Maria van de Rozenkrans, die ook vereerd werd in de kerk. Men vereert Sint-Laurentius tegen zweren, brandwonden en huidziekten en tevens is hij patroon van boekhouders, heemkringen en koks. Zijn verering bleef voortduren tot na W.O. II, toen de toeloop zo sterk daalde dat men in 1969 verplicht was de processie af te schaffen.

De Toren.

De vierkante, veertig meter hoge toren bestaat tot aan het gewelf bijna volledig uit witte natuursteen, boven het gewelf uit baksteen met een natuurstenen bekleding. Oorspronkelijk bevatte de toren twee galmgaten, waarvan er in het begin van de eeuw één werd toegemetseld. Bij de herstellingswerken na de Eerste Wereldoorlog werd deze echter weer gerestaureerd. Tegelijkertijd werd de huidige bekapping van de toren geplaatst met langs vier zijden een uurwerk.

In de westergevel hangt de grote houten toegangsdeur met neogotische omlijsting. Deze deur, versierd met een beeld van Sint-Laurentius, werd geplaatst in 1869, ter vervanging van de vorige deur die zich in zeer slechte staat bevond.


Het Calvariekruis.

In de torenhal, waar vroeger het orgel en het doksaal waren, is het houten christusbeeld, van de vroegere calvarie aan de achterkant van de kerk, ondergebracht, samen met twee gebeeldhouwde houten lijkblazoenen of obiits uit de 17de en 18de eeuw. De Heemkundige Kring bewaart echter nog verschillende andere van deze blazoenen die vroeger in de kerk hingen.

Op de vloer zeer oude grafzerken, die tijdens de laatste restauratie verzameld werden in de torenhal, maar vroeger in het hoogkoor en het schip lagen. Op elke grafsteen staan de symbolen afgebeeld die het beroep van de overledene weergeven. De oudste is die van Wouter Bauwens (+1544) met in de hoeken de symbolen van de vier evangelisten en met de werktuigen van een bijenkweker en een wapenschilder. Daarnaast bevindt zich de grafsteen van het echtpaar Jan Van Camp (+1647) en Maria de Raet met erboven een Jezusmonogram. Rechts ligt het boerenechtpaar Jasper Vloerenberghs (+1708) en Joanna De Ridder (+1712) met als symbool de ploeg. Links tegen het schip ligt Peeter Bloeck (+1621), een boswachter met als symbool de schaar. In het midden ligt het boerenechtpaar Gielis Sniedts (+1669) en Magdalena De Vos (+1693) met alweer een ploeg.

In de rechterbovenhoek liggen pastoor Pieter Bellens (+1679) en zijn moeder E. Proost (+1670). Aan het begin van het schip ligt de monumentale grafsteen van pastoor Johannes Franciscus De Laet (+1765) met als symbool de kelk. Links ervan liggen het echtpaar schepen Cornelis De Laet en Elisabeth Hammans en familie met de ploeg als symbool.

Verder links liggen het echtpaar De Backer - Johanna Dielis en Maria Cols en rechts ligt echtpaar Antonius De Ridder (+1709) en V. Vinck (+1713). Verder liggen er nog vele onleesbaar geworden grafstenen die men soms nauwelijks meer kan onderscheiden van de gewone vloertegels.

Dat er geschreven staat dat in 1582, tijdens de godsdienstoorlog, door de Antwerpenaren klokken werden gestolen, wijst erop dat er reeds in de 16de eeuw klokken aanwezig waren in de kerk van Hove.

Na de roof hebben de Hovenaars het tientallen jaren zonder klokken moeten stellen tot pastoor Van Roy in 1658 begon met geldinzamelingen voor het gieten van 3 klokken. De grootste klok was versierd met een O.-L.-V.-beeld en had het opschrift: "Sinte Lauwereys, Patroon van onse Kercke, bidt voor ons. Claudius Hombloet me fecit 1661."

Tijdens de Franse overheersing (1794-1814) werden de klokken opgeëist voor oorlogsvoering en werd tevens elke vorm van godsdienstuiting verboden. In Hove mocht men echter één klok houden, die diende om het uur aan te geven.

In 1836 werd er door het broederschap van de Heilige Rozenkrans een hergoten klok geschonken. Op deze klok waren een kruis en een beeld van O.-L.-Vrouw van de Rozenkrans afgebeeld met het schietgebed:
"H. Maria Moeder Gods, patronesse van onze broederschap van de H. Rozenkrans bidt voor ons".
Alle versierselen waren in bas-reliëf. De klok woog 665 kilo, had een hoogte van 0,91 m en haar grootste doorsnede was 1,05 m.

In 1857 vermeldt men in de kerkrekening alweer een hergoten klok die 970 kilo woog en toegewijd was aan de Heiligen Jozef en Laurentius.

In 1857 werd nog een kleinere klok aangekocht van 520 kilo, deze keer geen hergoten en die toegewijd was aan de Heiligen Antonius van Padua en Carolus Boromeus. Ze was versierd met afbeeldingen van voorgenoemde heiligen, Petrus en Paulus en een Christusbeeldje. De klok was 0,85 m hoog en had een doorsnede van 0,93 m.

In 1909 dienden herstellingswerken uitgevoerd te worden, de klokken werden naar Doornik gevoerd en daar hersteld. Amper 35 jaar later werden zij tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers opgeëist en gesmolten.

De drie klokken.

In 1946 werden de huidige 3 klokken in de toren gehangen.

De grootste klok (links) weegt 1018 kg en heeft een doorsnee van 115 cm, de toon is 'fa'. De klok is versierd met een beeldje van Sint-Laurentius en heeft als opschrift: "Me fudit Michiels jr. Tornac (Doornik). In honorem Sancti Laurentii patroni ecclesiae Patrinus J. Mattheessens - De Weerdt, loci major. Matrina R.Van Gijsel - Van Beirendonck. Parochus R.D. Hendrick."

De klok met toon 'sol' (rechts) is 707 kg zwaar en heeft een doorsnee van 101 cm. Ze is versierd met een heiligenbeeldje en draagt het opschrift: "Me fudit Michiels jr. Tornac. In honorem Virginis NS. Patrinus Albertus Claessens jr. Matrina Martha Bolsée. Me unxit Exc. Dom Van Cauwenbergh episc tit. Sinaitanis."

De kleinste klok (midden) met toon 'la' tenslotte heeft als doorsnee 90 cm en weegt 494.5 kg. Ook deze klok is met een heiligenbeeldje versierd en draagt als opschrift: "Me fudit Michiels jr Tornac. In honorem Mariae beatae virginis et Sancti Antoni Paduasi. Patrinus Albertus Cornelis. Matrina Christina Cornelis, Simona Cornelis, Nicolae Cornelis, Suzanna Cornelis. Unxit me Excellentissimus av Reverendissimus Dominus J.M. Van Cauwenbergh, episcopus titularis Sinaitanis sept MCMXLVI."


De romaanse Doopvont
uit de XIIde Eeuw.

Ten noorden van de Rupel en de Nete bezit de provincie Antwerpen uitzonderlijk weinig romaanse relicten. Het ontdekken van een in brokken geslagen romaanse doopvont tijdens de restauratie in 1968, was dan ook een uitzonderlijke vondst. De brokken, die ingemetseld waren in de noordermuur van de dwarspont waren tamelijk goed intact gebleven en werden zorgvuldig in elkaar gepuzzeld, zodat de meer dan 800 jaar oude doopvont uit zwarte Doornikse hardsteen gered werd voor de toekomst.

Het doopbekken is behalve door de reeds lang onverklaarbaar geworden iconografie ook interessant voor de tamelijk gave toestand van het onderstel van de kuip: een basisvoet en vijf zuilen met specifieke verbindingsstukken. Een tiental jaren na de vondst werd in de kerk van de nabijgelegen gemeente Kontich, die vroeger moederparochie van Hove was, een gelijkaardige romaanse doopvont gevonden. Men vermoedt dat de abdij van Lobbes, die in de streek de grondlegger was van de kerstening, deze twee vonten tegelijk besteld heeft; de ene voor Kontich en de andere voor Hove.

Rond 1000 na Christus werden er ten zuiden van de Alpen grote, veelhoekige kuipen gemetseld waarin men de borelingen onderdompelde. Enkele mooie voorbeelden hiervan zijn de overbekende bekkens van Verona, Lucca en Pisa. Ten noorden van de Alpen werd men echter nog gedoopt in een tonvormige, houten kuip. De eerste stenen romaanse doopvonten ontstonden in het huidige Duitsland, Noord-Frankrijk en België omstreeks 1050. De doopvonten zelf bestaan uit een rond, vierkant of veelhoekig bekken, geplaatst op een zware voet met zuilen.

De versiering van de kuipen bestond oorspronkelijk uit dieren of vreemde wezens, maar op het einde van het romaanse tijdperk versierde men de kuipen meer en meer met uitbeeldingen van bijbelverhalen of taferelen uit heiligenlevens, daar de voorheen afgebeelde dieren te onchristelijk waren. Zoals bij vele romaanse doopvonten, zijn ook de zijvlakken van de Hovese kuip twee aan twee gelijk van voorstelling.

Ieder vlak is bijna volledig bedekt met de afbeeldingen van drie gelijkaardige symbolische dieren. Op twee van de vier zijden staan twee dieren met hun koppen tegenover elkaar met tussen hen in een symbool dat opvallend veel gelijkenis vertoont met de Franse "fleur de lise" of levensbloem. Op de andere twee zijden staan drie ernstig beschadigde, achter elkaar lopende dieren. Zij vertonen wel enige verschillen met de dieren op de eerste twee zijden. Zo zijn zij bijvoorbeeld voorzien van een overdreven groot mannelijk geslachtsorgaan, wat heel uitzonderlijk is, alsook de manen en de voeten, die een verschillende ligging hebben.


Lambrizering1

Het is de houten wandbekleding die de Sint-Laurentiuskerk haar eigen, warm karakter geeft en die vrijwel al de muren volledig bedekt. Daarom werd de lambrizering tijdens de restauratie in 1967-1969 ook grotendeels behouden en aangepast.

De wanden van de zijbeuken, vroeger die van de middenbeuk, worden bedekt met 14 gebeeldhouwde medaillons die de kruisweg uitbeelden, in het jaar 1864 uitgevoerd door N. A. Goemans.

Biechtstoel rechts

In de dwarsbeuk zijn de twee enige muren die nog ononderbroken zijn na de restauratie, versierd met houten paneelwerk en een ingewerkte biechtstoel. Bij de lambrizering in de rechterdwarsbeuk vermeldt het fries, bestaande uit spelende engelen tussen loofwerk, "anno 1712" en steunt de biechtstoel op twee, vroeger gevleugelde, engelen waarvan de ene de armen gekruist over de borst houdt en de ander een kruis in de handen houdt. Het geheel wordt bekroond met een reliëf van Sint-Laurentius. Oorspronkelijk behoorde dit reliëf toe aan één van de twee biechtstoelen die bij de restauratie werden afgebroken, en stond op deze biechtstoel een reliëf met Christus Salvator.

Biechtstoel links

De biechtstoel in de linkerzijbeuk is bijna gelijk aan die van de overzijde, maar dateert uit 1666 en is iets beter van kwaliteit. De engelen dragen een boek, een vlammend hart en een paternoster. Het fries bestaat uit vogels en engelen tussen loofwerk. Op het middenreliëf staat O.-L.-V. afgebeeld. Ook dit reliëf is niet het oorspronkelijke, maar stond vroeger op één van de afgebroken biechtstoelen, terwijl deze was gesierd met het reliëf van Sint-Laurentius dat nu op de biechtstoel van de overzijde staat. Op de andere biechtstoel die bij de restauratie afgebroken werd, stonden in twee medaillons de heiligen Petrus en Paulus afgebeeld.

Lambizering 2

De lambrizering in het koor werd in 1652 geplaatst door de Brusselse schrijnwerker-beeldhouwer Jan Suetinckx. Oorspronkelijk was het een 2,80 m hoge wandbekleding met (nu verdwenen) gebeeldhouwde deuren, die toegang gaven tot een magazijn en de sacristie, en (eveneens verdwenen) zit- en bidbanken waar de bevoorrechte hooggeplaatsten van het dorp plaatsnamen om de mis bij te wonen.

De wandbekleding zelf bestaat afwisselend uit engelenhoofden en bloemtrossen met daarboven een fries, met in het midden de opschriften: "Laudate Pueri Dominum" en "Laudate Nomen Domini".

De Hemelvaart van Maria.

De dwarsbeuk wordt verfraaid door drie schilderijen. (*)

"De Hemelvaart van Maria", door P. van de Cruys, gedateerd 1625-26, (1.59x2.13)was oorspronkelijk bedoeld voor het grote O.-L.-Vrouw-altaar dat tijdens de restauratie van 1650-1660 werd opgericht, maar toen dit altaar in 1862 vervangen werd, heeft men het schilderij aan de muur gehangen. Eigenlijk was het een kopie van het beroemde gelijknamige schilderij van P. P. Rubens, maar volgens kenners is dat maar gebrekkig gebeurd. Het doek is 1,60 m breed. (*)


De Marteldood van
de H. Sebastiaan

"De Marteldood van de H. Sebastiaan", (2.02x2.40) eveneens van de hand van P. van de Cruys, verfraaide het oude Sint-Sebastiaanaltaar, dat ook tijdens de restauratie van 1650-1660 is opgericht. Toen dit altaar eveneens vervangen werd, heeft men ook dit schilderij willen behouden en opgehangen. Het doek is 1,90 m breed.(*)

Het Pinksterfeest of
de Nederdaling
van de vurige Tongen.

"Het Pinksterfeest of de Nederdaling van de vurige Tongen" (2.00x2.70) is van de bekende Parijse schilder Pierre Jacques Cazes (1676-1754), wiens werken in vele grote Franse musea hangen. Het is door de Franse revolutie dat het schilderij in handen kwam van achtereenvolgens de karmelietessen van Rochefort en oud-burgemeester Albert Claessen. Deze schonk het uiteindelijk aan de kerk toen hij zijn woonst, het kasteel van Cappenberg, waar hij het had opgehangen, verkocht.

In 1889 vestigde de gekende kunstschilder en ontdekkingsreiziger J. B. Huysmans (1826) zich in Hove. In 1904 stelde hij aan de pastoor voor om gratis de vier evangelisten te schilderen ter verfraaiing van het hoogkoor. De kerkraad nam het voorstel aan en in 1905 prijkten de vier schilderijen van de Antwerpse kunstenaar in de kerk. Marcus met als attribuut een leeuw, Mattheus met als attribuut een gevleugelde engel, Johannes met als attribuut een arend en Lucas met als attribuut een os. Wij kunnen hiervan geen afbeeldingen weergeven omdat zij momenteel in restauratie zijn. Waarschijnlijk zullen deze schilderijen na de restauratie niet meer terug worden gehangen (*) omdat zij niet meer passen in de sobere stijl van het gebouw.

Deze schilderijen waren per twee ingewerkt in houten paneelwerk met tussen Mattheus en Marcus het opschrift:

H.Mattheus
Mattheus

Op 25 april 1905 en met de milde ondersteuning van de w. e. Heer en Mevr. Lud. Geelhand - Meyers schonk de kunstschilder J. B. Huysmans deze IV evangelisten

E. H. Edmd. Andries Pastr.
Vt. Bavais Burgemeester
Et. Pelgrims Bouwkundige.
H.Marcus
Marcus

En tussen de twee andere:


H.Lucas
Lucas

Op 25 april 1905 en met de milde ondersteuning van mijnheer en mevr. Groetaarts-De Wael werden deze inlijstingen dezer IV Evangelisten vervaardigd.

E. H. Edmd Andries Pastr.
Vt. Bavais Burgemeester
Et. Pelgrims Bouwkundige.
H.Joannes
Johannes

(*) Voor de Open-Monumenten-dag van 11 September 2000 werd het gerestaureerde werk van P. van de Cruys, de "Hemelvaart van Maria", weer in de kruisbeuk gehangen. Bij die gelegenheid kregen ook de 4 evangelisten daar weer een plaats. Wij zorgden voor afbeeldingen van de schilderijen. Intussen is ook de H.Sebastiaan hersteld en in september 2001 werden beide grote gerestaureerde schilderijen in het hoogkoor opgehangen.
Het schilderij van Cazes werd hersteld begin 2003 en weer opgehangen in de kruisbeuk op 2 april van dat jaar. (Nota van de webmaster)



Het Orgel uit XVIIIde Eeuw.

Voor de restauratie van 1967-1969 steunde het majestueuze barokorgel op het doksaal met twee Toscaanse namaakzuilen dat was opgebouwd in de grote boogruimte van de torenhal. Dit doksaal werd in 1771-1772 vervaardigd door timmerman Johannes Neef. Nu er een doksaal was, moest de aankoop van het orgel vlug volgen, want in het jaar 1776-1777 werd de laatste betaling verricht van 314 gulden en 3½ stuivers aan orgelmaker Delhay, die het orgel daarna nog herhaaldelijk is komen stemmen; daarvoor kreeg hij altijd 9 gulden uitbetaald. Het orgel zelf is prachtig opgebouwd en zeer harmonieus. De fraaie orgelkast is zeer mooi afgewerkt met typische barokomlijsting en houtsnijwerk.

Bovenop de denkbeeldige zuilenconstructie van orgelpijpen troont een orgelspelende Sint-Cecilia, afgebeeld in een groot medaillon en iets lager vergezeld door de symbolen van de muziek: de bazuin en de lier. In 1824 liet pastoor Daems het orgel door De Smet herstellen voor 100 gulden en tevens liet hij in 1825 orgel en doksaal vernissen door schilder Malkens. Volgens organist dhr. Vanvinckeroye zou pas in 1865 het benedendeel van het orgel zijn bijgebouwd. In 1866 werd het orgel hersteld en verbeterd door een gift van 2325 fr. Deze herstellingen moeten het orgel bijna geheel vernieuwd hebben daar pastoor Andries een dertig jaar later spreekt over het nieuwe orgel van Vermeersch uit Duffel voor 2275 fr.

In 1888 werd een nieuwe blaasbalg geplaatst voor 443 fr. en nog in 1888 werd er 300 fr. uitgegeven aan herstellingen en het stemmen van het orgel. Tot in 1925 werd de blaasbalg nog met mankracht aangedreven. Stevens uit Duffel plaatste toen voor 2900 fr. een dynamo (electrische motor), die de blaasbalg elektrisch zou aandrijven. In 1933 werden er nog eens herstellingen uitgevoerd voor 6500 fr. Bij de restauratie van '67-'69 werd heel het orgel gerestaureerd door Bernard Pels-d'Hondt, orgelbouwer van Herselt. Het orgel bevat nu 1499 pijpen, onderverdeeld in 24 registers.


Met dank aan allen die meegeholpen hebben aan de totstandkoming van dit werk.

Brecht.

Redactie ZoleeftHove : In het bovenstaand historisch overzicht ontbrak nog een kapitteltje over de obiit's van de Sint-Laurentiuskerk. Dank zij de medewerking van mevrouw I. de Bélie konden we een pagina over deze kunstwerkjes maken en ze documenteren.